Een setje van 32GB DDR5-geheugen kostte niet zo lang geleden rond de 100 tot 150 euro. Inmiddels betaal je daar al snel 300 tot 400 euro voor.
Zelfde product. Zelfde fabrikant. Drie keer de prijs.
Dat is geen inflatie en geen tijdelijke piek. Dat is wat er gebeurt als een hele industrie besluit dat jij niet de belangrijkste klant bent.
Wie er voorrang krijgt
Drie bedrijven bepalen samen zo'n 93 procent van de wereldwijde geheugenmarkt: Samsung, SK Hynix en Micron.
Die drie hebben een keuze gemaakt en die keuze is AI-datacenters. Elke geheugenchip die naar een AI-server gaat, is er één minder voor een laptop of een telefoon.
De rekensom is simpel. Eén AI-server verbruikt ongeveer evenveel geavanceerd geheugen als honderden gewone laptops, en partijen als Microsoft, Google, Meta en Amazon bouwen er duizenden tegelijk. Naar verwachting slokken datacenters in 2026 zo'n 70 procent van alle geheugenproductie op.
De cijfers achter de stijging
Marktonderzoeker TrendForce meldde voor het eerste kwartaal van 2026 een stijging van de contractprijzen voor gewoon DRAM-geheugen van 55 tot 60 procent ten opzichte van het kwartaal ervoor. Voor NAND-opslag ging het om 33 tot 38 procent.
Andere metingen komen op ruim 90 procent hoger vergeleken met eind 2025. Samsung verhoogde zijn DDR5-contractprijs van ongeveer 7 dollar naar 19,50 dollar per eenheid.
Dat is meer dan een verdubbeling in een paar maanden tijd, bij een component die jarenlang alleen maar goedkoper werd.
Waarom AI zoveel geheugen slikt
Modellen zijn groter geworden en moeten enorme hoeveelheden data tegelijk verwerken, zowel tijdens het trainen als bij dagelijks gebruik.
Daar komt bij dat AI-hardware werkt met speciaal geheugen, meestal aangeduid als high bandwidth memory. Dat wordt gemaakt door meerdere lagen op elkaar te stapelen, een complex proces dat productiecapaciteit opslokt die anders naar gewoon consumentengeheugen zou gaan.
Dubbele klap dus. Meer vraag naar het speciale spul, minder capaciteit voor het gewone spul.
Wat het jou concreet kost
Direct als je zelf iets bouwt of upgradet. Dat merk je meteen aan de kassa.
Indirect bij nieuwe apparaten. Fabrikanten berekenen hogere componentkosten door, of ze kiezen ervoor om basisconfiguraties minder ruim te maken. Waar 16GB de nieuwe standaard leek te worden, zie je nu weer modellen met minder geheugen en een stevige meerprijs voor meer.
Gartner verwacht dat consumenten hun apparaten gemiddeld 20 procent langer gaan gebruiken, simpelweg omdat vervangen te duur wordt.
Dat is een opmerkelijk effect. AI maakt de spullen waar je AI op zou willen draaien duurder.
Wat ik zelf heb gedaan
Ik heb mijn laptop-upgrade uitgesteld en dat blijkt achteraf de verkeerde beslissing. Ik dacht in januari dat het wel weer zou zakken.
Dat gebeurde niet. Wat ik nu betaal voor dezelfde upgrade is fors meer dan wat ik toen zou hebben betaald, en de meeste analisten verwachten dat de prijzen voorlopig hoog blijven.
Wachten op betere tijden is in deze markt geen strategie maar hoop. En hoop is een slechte adviseur bij inkoop.
Wanneer je wel en niet zou moeten kopen
Heb je het nu nodig voor je werk? Koop het. De kans dat het binnen een jaar substantieel goedkoper wordt, is klein zolang de datacenterbouw doorgaat.
Kun je nog een jaar vooruit? Wacht dan. Niet omdat de prijzen dalen, maar omdat er geen reden is om nu te betalen wat je later ook kunt betalen.
Overweeg je een tweedehands machine? Dat is nu aantrekkelijker dan het in jaren is geweest, juist omdat nieuwe apparaten zo hard in prijs stijgen.
Wat je kunt doen om het te beperken
Drie dingen die daadwerkelijk schelen, en geen daarvan is spectaculair.
Koop gebruikt. Tweedehands machines zijn relatief aantrekkelijker geworden dan ze in jaren zijn geweest, juist omdat nieuwe apparaten zo hard stijgen.
Upgrade in plaats van vervangen. Een oudere laptop met een nieuwe schijf gaat vaak nog jaren mee, en dat is goedkoper dan een compleet nieuw apparaat met een krappe basisconfiguratie.
Koop wat je nodig hebt, niet wat toekomstbestendig klinkt. Die extra 32GB die je "misschien later" gebruikt, kost nu een veelvoud van vorig jaar.
Ik heb dat laatste zelf verkeerd gedaan. Ik zat lang te twijfelen over een zwaardere configuratie en betaalde uiteindelijk de hoofdprijs voor geheugen dat ik in de praktijk nog geen enkele keer volledig heb aangesproken.
Het grotere plaatje
Dit is de eerste keer dat de AI-boom direct in je portemonnee voelbaar wordt zonder dat je zelf iets met AI doet.
Je gebruikt geen chatbot, je hebt geen abonnement, en toch betaal je meer voor een telefoon omdat een datacenter in Ierland geheugen nodig had. Dat is een vorm van kostenverschuiving waar niemand voor heeft getekend.
En het blijft niet bij geheugen. Stroom is de volgende. AI-datacenters verbruiken inmiddels rond de 5 procent van de Amerikaanse elektriciteit en die groei gaat door, met alle gevolgen voor energieprijzen die daarbij horen.
Wie denkt dat de rekening van deze technologie alleen bij de gebruikers ligt, moet zijn volgende energienota eens goed lezen.